Banneling

Wat is de oorzaak van mijn verbanning? Ik ben wellicht niet de meest betrouwbare verteller wat betreft dit onderwerp. Mijn herinneringen zijn beneveld door wrok en spijt. Ik herinner mij enkel nog een paar mythische details. In een waas van dwaze verliefdheid en belachelijk optimisme struikelde ik van nederlaag naar nederlaag, maar altijd vond ik een haakje dat me op de been hield. Maar in het leven kun je het lot niet blijven tarten, uiteindelijk vond ik mijn Waterloo. Een coalitie van monsterlijke afmeting trekt op tegen mijn in alle haast opgetrommelde troepen. Mijn trouwe maarschalk Ney, dronken van misplaatste trots, stort mijn elitetroepen nodeloos, dwars tegen mijn bevelen in, als een waanzinnige op de vijand. Na urenlange bloedige gevechten is de voortgang aan het front minimaal en dan stromen de onheilstijdingen van de ordonnansen binnen. De stofwolken op mijn rechterflank, die ik in de gauwigheid voor mijn 2e legerkorps heb aangezien blijken te komen van Blücher met zijn verdomde Pruisen. De val is dichtgeklapt, mijn listen zijn op. De cavalerie is verspreid en de gelederen vervallen in chaos. Dat moment, het besef dat alles verloren is. Dat is het moment waarop mijn verlangen verslagen is. Ik zou de rest van mijn leven uitzitten, wachten tot de tijd voorbij is. Dit is het moment geweest waarop ik begreep dat ik voor altijd verbannen zou zijn.

De werkelijke reden voor mijn ballingschap is minder dramatisch. In Amsterdam geldt de ongeschreven regel dat je miljonair, links of verliefd moet zijn om er te kunnen wonen, het liefst allemaal tegelijk. Wie dat niet is, wordt veroordeeld tot het gênante bestaan in de marge als sloeberyup: twee ontzettend gezellige andere domme stumperds als huisgenoten en een kamer waar precies een bed en een kast in passen. Je voeten blijven kleven aan dat lelijke laminaat dat uit pure armoede tien jaar geleden door de toenmalige gelegenheidscoalitie van huisgenoten is neergelegd. Voor elke weekendje weg van de huisgenoten wordt hun kamer onderverhuurd aan een Spanjaard met drie lelijke honden. En voor al dat moois moet je dan maandelijks een huur van 950 euro aftikken: dat is dan de droom van de hoogopgeleide. Toen ik als dertiger op straat stond, realiseerde ik me dat juist om in Amsterdam te kunnen wonen, je er eigenlijk niet moet wonen. Miljonair was ik niet, links al evenmin en verliefd zal ik nooit meer worden. Mijn vermogen om verliefd te worden is uitgedoofd, ik voel alleen nog liefde voor het vermogen.

In het eerste coronajaar las ik in de Volkskrant, weggestopt tussen de advertenties voor vliegvakanties, dat het aandeel Shell onder de tien euro dook. De journalist twijfelde aan het verdienmodel van oliebedrijven op de korte en lange termijn. Ik begreep onmiddellijk dat dit het uitgelezen moment was om mijn hele vermogen te beleggen in de olie-industrie. Ongeveer twee jaar later kon ik de boel met 160 procent winst verkopen, waar ik de Volkskrant nog altijd hartelijk dankbaar voor ben. Vanaf het eerste moment dat ik aandeelhouder werd wist ik dat ik mijn roeping gevonden had. Ik ben altijd al goed geweest in gelijk hebben. Niet dat ik mezelf paranormale gaven toedicht, gelijk hebben is een kwestie van een realistische inschatting maken, contrair denken en niet al te hysterische ideeën over de toekomst koesteren.

Ik moedig mijn lezers die denken dat het einde van het kapitalisme nabij is, dat de wereld gaat ontgroeien en in een vredig klimaatwalhalla verandert, van harte aan short te gaan op de Amerikaanse aandelenmarkt. Voeg de daad bij het woord, verdien geld door de ondergang van het grootkapitaal. Je wedt dan wel tegen de oude dag van onze boomers en tot loonslaaf gemaakten, grote kans dat je ouders verzorgd moeten worden in jouw ecologische villa. Ik ondertussen, heb weinig ideologie nodig om te beseffen alles op den duur beter wordt, dat het kapitalisme zal heersen. Ik raad linkse mensen aan zich maar beter druk maken over morele kwesties. Over twintig jaar ben ik rijk en zal de Groene Amsterdamer, met de verschrikkelijkste misstanden van dat moment, nog altijd ongelezen eindigen tussen het oud papier van onze hogere intelligentsia.

Een banneling schrijft niet, maar wacht aan de zijlijn de tijd af. Niks klinkt zo mooi als het ruisen van een stilstaand leven. Wie schrijft heeft hoop, maar ik was alle hoop verloren. Daar, elders waar ik verbannen ben, krioelt het, schuimt het, is de beweging. Hier klinkt enkel het zoemen van de voorbijgaande tijd. Er is geen betere plek om het leven af te wachten dan in het verdriet van België. Hier kun je nog zonder al te veel moeite een yup zijn. Ik woon hier in een fraai appartement met hoge plafonds en houten vloeren. Maar dan moet je wel accepteren dat je met Vlamingen in een land woont. Vlamingen, zo moet ik nu toch wel concluderen, wekken niet meer dan medelijden op. Ze wisselen onderling louter beleefheden uit en gaan dan weer verder met hun weinig verheffende levens. Vlamingen kijken naar beneden als je tegen ze praat. In Vlaanderen is in open water zwemmen zonder toezicht strikt verboden. De Vlaming woont tot zijn dertigste bij een van zijn gescheiden ouders. De Vlaming zit stilzwijgend in een hoek zijn smos kaas te eten, de Nederlander met zijn grote muil te verachten. Vlamingen hebben het betere bier, het mooiere land, de vriendelijkste glimlach, het liefelijke taaltje, maar die verrekte Hollanders met hun gore Heineken gaan er met de mooie meisjes vandoor. Het is een gênante wil tot onbeduidendheid die dit land in zijn greep heeft, daar hebben we weinig aan verloren in 1839. Het is voor iedereen klip en klaar dat dit land het beste in zoveel mogelijk kleine stukjes wordt opgesplitst. België is totaal mislukt, en dat is natuurlijk geheel de schuld van de Walen. De Walen zijn een stel mijnwerkers en houthakkers bij elkaar, andere professies kennen ze niet. Het enige culturele aan ze is dat ze Frans spreken, hoewel ze deze taal ook weer op uitmuntende wijze weten te verkrachten. Als je weet hoeveel die sullige Vlamingen aan belasting betalen, terwijl het land er als een derde wereldland bij ligt, kun je niet anders dan concluderen dat het geld door potverteerders, de Walen, wordt verbrast. Ik kan België van harte aanbevelen als je een tijdje op mensen wil neerkijken, maar zorg er dan wel voor dat je het belastingtechnisch een beetje handig regelt, zo doen ze dat hier het liefst zelf ook: de Vlaming heeft niet zelden een dik pak cash in de la liggen. Zoals mijn opdrachtgever, die onafhankelijk van het weer of tijd een zonebril in zijn haar draagt, zei: “Jullie Nederlanders denken dat wij Vlamingen altijd frauderen, maar dat doen wij niet altijd. Wel vaak, maar niet altijd.”

Elke dag fiets ik, zoals een echte Hollander betaamt, 52 kilometer heen en weer naar het kantoor in Mechelen Moneytown, langs de spoorlijn tussen Antwerpen en Brussel. Er rijdt altijd wel, met verlaagde snelheid vanwege het beperkte Belgische spoornet, een sneltrein van Parijs naar de stad waar ik ben verbannen voorbij. De inzittenden gaan er met speels gemak heen, naar de stad die mij allang vergeten is. Ik loop daar te ploeteren, de dag van mijn Waterloo herbelevend, hoe ik het anders had moeten aanpakken. Nu het veel te laat is verzin ik de meest elegante manoeuvres, de puntigste bevelen. Ik hoop op een nieuwe slag, dat de eensgezindheid aangaande mijn verbanning uitdooft. Ik hoop op nieuwe conflicten, nieuwe chaos, nieuwe revolutie. Ik blijf rustig doorfietsen langs die spoorlijn, de dagen aftellend tot die ene vrijgeleide me terugbrengt naar een nieuw Waterloo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *