Achteruit

In de trein,
met de rug
naar de rijrichting.

Niet in afwachting
van wat komen gaat.
De plotse overval.
En dan beseffen
dat het weer geweest is.

Het dichtbije,
is een razende waas.

Een waterval,
van klei en steen.
Bielzen.
Gras en koeien.
Tijd.

Opgeslokt,
in een onstilbare honger.

Alleen torens
en bergen,
zullen beklijven
voor een tijdje.

Het verleden gaat,
godverdomme,
zo snel op.
In niƩts.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *